Terug naar homepage

De toekomst

Baker Tilly Berk

Gegevens ingevoerd op basis van self assessment. 
Percentage afgeronde stappen (ongewogen).

Voortgang

Op schema (100%)

Totale voortgang (97%)

Lees op de website van Baker Tilly Berk welke stappen zij onderneemt

De maatregelen voor Baker Tilly Berk

Nr.
Maatregel
Jan
2015
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
Jan
2016
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
Jan
2017
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
Jan
2018
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
Jan
2019
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
1.3
Bij de profilering richting studenten en de arbeidsmarkt benadrukt de beroepsgroep juist die waarden, normen en kwaliteiten van een accountant die aandacht dienen te krijgen bij het vormen van de gewenste cultuur binnen accountantsorganisaties: focus op kwaliteit, professioneel kritische instelling, nauwkeurig, degelijk, een rechte rug, maatschappelijk betrokken.
OOB
1.4
OOB kantoren voeren periodiek een meting uit op de mindset en drivers van de partnergroep, andere leidinggevenden en de medewerkers. De RvC wordt geïnformeerd over de uitkomsten van deze meting en de op basis hiervan voorgenomen acties.

De RvC dient het bestuursbesluit over de te nemen acties goed te keuren. De uitkomsten van de meting bij individuele personen worden door het bestuur en de rvc betrokken in de besluitvorming (goedkeuring) rondom partnerbenoemingen.
OOB
Governance
2.1
Bij de Nederlands topholding van iedere groep waarvan een accountantsorganisatie met een OOB vergunning deel uitmaakt wordt een RvC ingesteld. Organisaties met een andere rechtsvorm stellen een vergelijkbare toezichthoudende functie in die een onafhankelijk toezicht waarborgt.
OOB
2.2
Voor de samenstelling (waaronder onafhankelijkheid) en werkwijze van de rvc gelden de principebepalingen III.1, III.2 en III.3 van de Nederlandse Code Corporate Governance (CCG).
 
Deze bepalingen worden overgenomen in het Bta of een NBA verordening zodat deze bepalingen binnen de reikwijdte vallen van het toezicht.
 
De rvc is zodanig samengesteld dat de leden onafhankelijk en kritisch kunnen optreden. In de rvc is naast de in de CCG benoemde deskundigheden, deskundigheid aanwezig ten aanzien van kwaliteitsbeleid en het publiek belang. Co nform de CCG zijn alle commissarissen, met uitzondering van maximaal één persoon, onafhankelijk en dus externe leden. De voorzitter van de rvc is altijd een extern lid en onafhankelijk. Selectie van leden van de rvc vindt plaats op basis van een profielschets (zie CCG principebepaling III.3) met daarin de benoemde deskundigheidsgebieden en de benoeming vindt plaats op basis van een bindende voordracht door de rvc waarvan slechts met een gekwalificeerde meerderheid kan worden afgeweken. Ook voor schorsing en ontslag geldt een gekwalificeerde meerderheid. De rvc wordt divers samengesteld. In de samenstelling wordt gestreefd naar minimaal 30% vrouwen en 30% mannen. Voordat voordracht van een (beoogd) rvc lid plaats kan vinden dient een geschiktheidstoets plaats te vinden door de AFM.
OOB
2.3
De taak en het mandaat van de RvC worden duidelijk omschreven. De RvC richt zich in ieder geval op de organisatiebrede aspecten die van invloed zijn op de kwaliteit van de accountantscontroles, onafhankelijkheid, integriteit en op de belangen van de externe stakeholders bij de accountantscontrole.

De RvC doet een bindende voordracht voor te benoemen bestuursleden van de Nederlandse topholding waarvan slechts met een gekwalificeerde meerderheid kan worden afgeweken. Ook is de RvC verantwoordelijk voor de goedkeuring van benoeming en ontslag van partners binnen de controlepraktijk, goedkeuring van het kwaliteitsbeleid en de borging daarvan.

Tevens keurt de RvC het beloningsbeleid voor bestuurders, partners en medewerkers goed en bepaalt hij de beloning voor de bestuurders van de Nederlandse topholding.

De RvC keurt de benoeming en beoordeling van de compliance officer goed. Zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheid van het bestuur voor een adequate compliance van de organisatie dient de compliance officer van de accountantsorganisatie een directe rapportagelijn naar de RvC te hebben. Jaarlijks vindt een gesprek plaats tussen de RvC en de AFM zonder aanwezigheid van de bestuurders, de inhoud van dit gesprek is gericht op de accountantsorganisatie.
OOB
2.4
In lijn met CCG principebepaling III.1 ziet de RvC toe op het belang van de gehele organisatie, de bij de organisatie betrokkenen en betrekt hij hierbij de relevante maatschappelijke aspecten van ondernemen, waaronder mede controlekwaliteit en onafhankelijkheid. Hierbij ziet hij erop toe dat effecten van tegenstrijdige belangen (zowel zakelijk als persoonlijk) binnen de organisatie afdoende worden gemitigeerd.
OOB
2.5
De RvC kent desgewenst kerncommissies in overeenstemming met de CCG. De leden van de renumeratiecommissie zijn allen onafhankelijk. Het borgen van het publiek belang is een essentieel onderdeel van de taak van de rvc als geheel. De functie van de bestaande Commissie Publiek Belang wordt geïntegreerd in de RvC.
OOB
2.6
De RvC neemt een uitgebreid verslag op in het jaarverslag van de Nederlandse topholding en in het transparantieverslag van de accountantsorganisatie waarin wordt uiteengezet hoe de RvC zijn rol heeft ingevuld op ieder van de aan de RvC toegewezen taken en verantwoordelijkheden, welke procedures zijn gevolgd en wat de belangrijkste inhoudelijke bevindingen, discussies en beslissingen van de RvC zijn.
OOB
2.7
Het bestuur van de organisatie dient voldoende divers te zijn samengesteld met voldoende oog voor de belangen van externe stakeholders. De RvC ziet hierop toe bij de benoeming van bestuurders van de Nederlandse topholding.

Het benoemen van mensen van buitenaf kan hierbij in bepaalde gevallen helpen, maar is geen noodzaak. Selectie van bestuurders vindt plaats op basis van een door de RvC opgestelde profielschets met daarin de benoemde deskundigheidsgebieden en na uitvoering van een geschiktheidstoets door de AFM.
OOB
2.8
Het bestuur dient voldoende afstand te kunnen bewaren van de partnership en genoeg tijd te kunnen besteden aan het besturen van de organisatie. Het bestuurslid dat primair verantwoordelijk is voor het kwaliteitsbeleid dient zich voornamelijk op deze taak te richten.

De RvC formuleert de uitgangspunten voor de tijdsbesteding van bestuurders aan bestuurstaken en andere verantwoordelijkheden en ziet toe op de naleving ervan. Een beperkte portefeuille als controlerend accountant is voor een bestuurder mogelijk, echter alleen na toestemming van de RvC.
OOB
Beoordelen en belonen
3.1
Alle accountantsorganisaties moeten aantoonbaar een intern beloningsysteem hebben waarin de beloning van kwaliteit, waaronder coaching en begeleiding, voorop staat.
 
Het belangrijkste deel (meer dan 50%) van de (variabele) beloning van de individuele werknemers die werkzaam zijn binnen de controlepraktijk en de beloning of verdeelsleutel op basis waarvan de winst wordt verdeeld voor controlepartners wordt bepaald door rol, verantwoordelijkheid en de geleverde controlekwaliteit, waaronder de kwaliteit van de begeleiding en coaching van teamleden en uitkomsten van dossier reviews.
 
In het systeem dient kwaliteit zowel positieve als negatieve consequenties te hebben voor de beloning of verdeelsleutel.
 
Het beloningsbeleid, inclusief de criteria op basis waarvan de winst wordt verdeeld tussen de controlepartners, het beleggingsbeleid voor individuele partners in privé en de individuele beloningen van de bestuurders van de accountantsorganisatie worden gepubliceerd in het jaarverslag, transparantieverslag of op de website van de accountantsorganisatie.
OOB
3.2
Vaktechnische kennis, professioneel kritische instelling en kwaliteit van de werkzaamheden dienen de cruciale elementen te zijn binnen het promotiebeleid voor medewerkers van de controlepraktijk in de organisatie, inclusief de criteria voor partnerbenoeming.

Dit dient onder andere vormgegeven te worden door middel van een curriculum dat iemand doorlopen dient te hebben voordat hij in aanmerking komt voor partnerbenoeming. Onderdeel hiervan zijn aantoonbare werkervaring (met positieve beoordeling) binnen een op kwaliteit of beroepsontwikkeling gerichte functie (bijvoorbeeld afdeling vaktechniek of compliance), gedurende een relevante periode en een representatief aantal dossierreviews met positieve beoordeling.

Voor partnerbenoeming binnen de OOB-controlepraktijk van een accountantsorganisatie en voordat iemand als partner kan functioneren op een OOB dient aantoonbaar sprake te zijn van minimaal het equivalent van 12 maanden ervaring binnen een op kwaliteit of beroepsontwikkeling gerichte functie met positieve beoordeling en minimaal drie dossierreviews met positieve beoordeling in de laatste vijf jaar voor benoeming. Bij OOB accountantsorganisaties toetst de rvc in ieder geval (maar niet uitsluitend) expliciet op de hiervoor genoemde aspecten bij zijn goedkeuring van partnerbenoemingen. Ten behoeve van een zorgvuldige en operationeel realiseerbare implementatie van deze maatregel acht de werkgroep een overgangsregime noodzakelijk.

Het blijft maximaal drie jaar lang mogelijk om een persoon te benoemen die nog niet aan het criterium voldoet ten aanzien van ervaring binnen een op kwaliteit of beroepsontwikkeling gerichte functie onder voorwaarde dat hij na benoeming binnen vijf jaar de vereiste ervaring alsnog opdoet.
OOB
3.4
Voor de overige controlepartners dient de vergoeding of verdeelsleutel op basis waarvan het winstrecht van de partner wordt bepaald te bestaan uit een component die is gebaseerd op rol en verantwoordelijkheid en een variabele component die voor het belangrijkste deel is gebaseerd op aan kwaliteit gerelateerde criteria, waaronder resultaten uit dossier-reviews, de resultaten van werknemerstevredenheidsmetingen en individuele beoordelingen door teamleden ten aanzien van de door de partner gegeven begeleiding.

Binnen de vergoeding of verdeelsleutel kan worden beloond op basis van andere doelstellingen, maar aan een meer dan gemiddelde prestatie op het gebied van van commerciële doelstellingen wordt geen gewicht toegekend indien de controlepartner negatief is beoordeeld op het aspect controlekwaliteit. Inhoudingen die worden gedaan op de beloning van individuele controlepartners vanwege een onvoldoende beoordeling op de geleverde kwaliteit worden niet bestemd voor uitkering aan de andere partners, maar worden in overleg met de RvC besteed aan specifieke maatregelen die gericht zijn op kwaliteitsverbetering.

De werkgroep is van mening dat kwaliteit ook een collectieve verantwoordelijkheid is en hierbij past niet dat kwaliteitsproblemen binnen het kantoor een positief effect kunnen hebben op de beloning van enig individu binnen de organisatie.

 
OOB
3.5
OOB accountantsorganisaties voeren een claw-back regeling in met een looptijd van 6 jaar (de maximale termijn voor het starten van procedures bij de accountantskamer) waarbij de  winstdelende partners die functioneren als extern accountant en  betrokken zijn bij de uitvoering van wettelijke controles een bedrag ineens inlegt of in 6 jaren opbouwt via reservering uit winstrechten.
 
Het bedrag dat onder de regeling loopt in deze 6 jaren op tot in ieder geval één gemiddeld jaarinkomen dat is genoten over de meest recente 6-jaars periode.
 
Indien voor het verstrijken van die periode blijkt dat verwijtbaar handelen van de accountant heeft geleid tot het afgeven van een verkeerde verklaring  bij een wettelijke controle waaruit maatschappelijke schade is ontstaan, dan wordt het bedrag dat onder deze regeling valt niet uitbetaald, maar verliest de accountant zijn aanspraak op dit winstrecht geheel of gedeeltelijk.
 
De hoogte van het op de gereserveerde winstrechten of ingelegde vermogen in te houden bedrag is ter finale beoordeling van de rvc en afhankelijk van de significantie van de tekortkoming en de hieruit ontstane maatschappelijke schade.
 
Deze maatregel geldt niet alleen voor de tekenend winstdelende partner, maar in voorkomend geval dient ook de rol van de winstdelende partner die verantwoordelijk is voor de opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordeling bij deze opdracht beoordeeld te worden.
 
Inhoudingen die worden gedaan in overeenstemming met de claw-back regeling worden niet bestemd voor uitkering aan de andere partners, maar worden in overleg met de rvc besteed aan specifieke maatregelen die gericht zijn op kwaliteitsverbetering.
OOB
3.6
Accountantsorganisaties voeren een beleggingsbeleid voor partners in privé in waarin wordt aangegeven wat de restricties zijn die partners hierbij in acht dienen te nemen. Het beleggingsbeleid dient te worden goedgekeurd door de RvC.
OOB
3.7
De eigendomsverhoudingen en kapitaalstructuur van de accountantsorganisatie mogen niet leiden tot een eenzijdige focus op winst en geen belemmering vormen voor een op kwaliteit gerichte cultuur en personeelsbeleid.
OOB
3.8
De sector neemt maatregelen die de risico’s voor de OOB-accountantsorganisaties en het accountantsberoep als gevolg van financiële druk bij de equity partner beheersen. Middels de maatregelen wordt door de accountantsorganisatie inzicht verkregen in de financiële situatie van de controle partner-aandeelhouder. Bij de beoordeling hiervan wordt ook aandacht geschonken aan mogelijke reputatierisico’s voor de accountantsorganisatie of het accountantsberoep.
De maatregelen zijn van toepassing op equity partners van oob-kantoren die ingeschreven zijn als extern accountant in het register van de AFM (‘controle partner-aandeelhouder’).
De uitwerking van de maatregelen is te vinden in de notitie ‘Aanvullende maatregelen bij maatregel 3.8’).
OOB
Verhouding tot opdrachtgever
4.4
De accountant besteedt in de controle expliciet aandacht aan de voor de onderneming relevante frauderisicofactoren en de risico’s op de onder COS 240 vallende vormen van fraude met mogelijk materiële impact op de jaarrekening die hij onderkent en maakt hierover bij aanvang van de controle afspraken over de ten minste uit te voeren werkzaamheden, inventariseert eventuele aanvullende wensen van de rvc en stemt met de rvc het werkprogramma af dat hij uitvoert ten aanzien van die risico’s.
 
Afhankelijk van de complexiteit van de controlecliënt dient inzet van moderne informatietechnologie in de data-analyse onderdeel te zijn van het controleplan dat is gericht op de afdekking van frauderisico’s.
 
De accountant rapporteert specifiek over de door hem uitgevoerde werkzaamheden aan de rvc (of vergelijkbaar orgaan).
 
Indien een accountant een (vermoeden van) fraude constateert meldt hij dit, afhankelijk van de aard van (het vermoeden van) de fraude, aan het bestuur van de onderneming, de rvc en/of de bevoegde instanties.  Indien een fraudegeval zich voordoet rapporteren zowel rvc als accountant aan de algemene vergadering (of vergelijkbaar orgaan) in hoeverre dit gerelateerd is aan een door rvc en accountant onderkend frauderisico en over de evaluatie van rvc en accountant van de uitgevoerde controlewerkzaamheden rondom dit frauderisico. De accountant ziet er op toe dat de melding van (een vermoeden van) fraude adequaat wordt afgehandeld, afhankelijk van de aard van de fraude, zowel door het bestuur van de onderneming (inclusief eventuele redress) als de rvc, dan wel door de accountantsorganisatie waarvoor hij/zij werkt.
 
De accountantsorganisatie voert aantoonbaar een beleid waarin wordt gewaarborgd dat de accountant aan de bovengenoemde vereisten kan en zal voldoen, zowel in het kader van de regulier uit te voeren werkzaamheden inzake frauderisicofactoren en frauderisico’s als  in het kader van een afzonderlijk (vermoeden van een) geval van fraude, en schept daartoe de noodzakelijke organisatorische randvoorwaarden.
 
De NBA voert een nadere analyse uit van de problematiek inzake fraude en doet eventueel aanvullende voorstellen voor
maatregelen. Vooruitlopend daarop brengt de NBA een praktijkhandreiking uit over de uit te voeren werkzaamheden en de afstemming met en rapportage aan de rvc ten aanzien van fraude, alsmede een praktijkhandreiking over de mogelijkheden van data-analyse in het algemeen en in het bijzonder in het kader van fraude analyse. Tevens verplicht  de NBA de accountant een cursus te volgen gericht op actualisering van de noodzakelijke kennis en vaardigheden om aan de verplichtingen inzake fraude te voldoen. 
OOB
4.5
Bij alle OOB's en door de NBA aan te wijzen andere instellingen geeft de accountant een uitgebreide controleverklaring af. Daarin geeft hij meer inzicht in de aandachtspunten van zijn controle, de controlemethodiek en uitgevoerde werkzaamheden en de gehanteerde materialiteit.
 
Over de door de onderneming gerapporteerde continuïteitsrisico's rapporteert hij in de verklaring bij het jaarverslag.
 
Ook voert de accountant actief het woord op de AvA (of vergelijkbaar orgaan) om zijn werkzaamheden toe te lichten. Dit stemt de accountant vooraf af met de rvc (of vergelijkbaar orgaan). Indien hem dit niet wordt toegestaan dient hij de opdracht niet te accepteren.
OOB
Kwaliteit meten en verbeteren
5.1
Accountantsorganisaties moeten voor een standaardset van kwaliteitsindicatoren, waaronder indicatoren op het gebied van leverage en coaching, in het transparantieverslag of jaarverslag rapporteren wat de interne doelstelling of norm is voor deze indicator, wat de werkelijke uitkomst is over het afgelopen jaar en welke acties worden genomen indien het resultaat negatief afwijkt van de doelstelling of norm.

De door de werkgroep voorgestelde indicatoren zijn opgenomen in appendix 2 bij dit rapport. De in 2015 respectievelijk 2016 te rapporteren indicatoren dienen voor eind 2014 definitief vastgesteld te worden door de NBA en worden periodiek bijgesteld op basis van uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek en dialoog met stakeholders.
OOB
5.2
De accountant rapporteert aan de rvc (of ander toezichthoudend orgaan) van de gecontroleerde rechtspersoon hoe veel partner/director- en team-uren hij verwacht te besteden (voorcalculatie) en zijn besteed (nacalculatie) aan de uitvoering van de controle en onderbouwt hoe de inzet van deze uren, in combinatie met andere controlemethodieken, tot een kwalitatief goede controle leidt.
OOB
5.3
Opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordelingen (OKB) moeten worden uitgevoerd door een OKB team met senior teamleden onder leiding van een ervaren partner (of ervaren accountant van buiten de organisatie). De leden van het OKB team zijn permanent, dan wel voor een afgebakende periode, een substantieel deel van hun tijd beschikbaar voor het uitvoeren van OKB’s. Ieder jaar dienen meerdere dossiers van een controlepartner in een OKB te vallen.
OOB
5.5
Indien wordt vastgesteld dat controledossiers –en werkzaamheden van een controlepartner niet voldoen aan de kwaliteitsvereisten dient, naast de in hoofdstuk 6 besproken invloed op de beloning, door deze controlepartner een verbeterplan opgesteld te worden in samenspraak met de compliance officer en het bestuurslid dat verantwoordelijk is voor kwaliteit.

Gedurende een periode van twee jaren dient uitvoering gegeven te worden aan dit verbeterplan en dient het aantal OKB’s op de controledossiers van deze partner sterk geïntensiveerd te worden.

Na twee jaren dient een evaluatie plaats te vinden van de ontwikkeling en kwaliteit in die periode en dient bepaald te worden of de controlepartner tekeningsbevoegd kan blijven binnen de accountantsorganisatie. Hiertoe wordt een gemotiveerd besluit ter goedkeuring ingediend bij de RvC.
OOB
Implementatie
8.1
Accountantsorganisaties dienen in het transparantieverslag of jaarverslag verantwoording af te leggen over de implementatie van de in het convenant opgenomen maatregelen. Zodra een RvC is ingesteld bij de betrokken organisaties dient de RvC ook toe te zien op de tijdige en juiste implementatie van de maatregelen.
OOB

Infobox titel

Baker Tilly Berk is voor het laatst bijgewerkt op 05 juli 2018   •   Disclaimer
Legenda:
Nog te doen
Achter op schema
Afgerond